Tolpoortjes-o-fobia

ALT

Zo ongeveer op een kilometertje van Chiasso, wanneer het land vlakker wordt en de lucht donkerder, voelde Frank de eerste druppel op zijn voorhoofd verschijnen. Hij deed net of hij het niet voelde en plaatste ook zijn rechterhand op het stuur. Zo nonchalant als mogelijk streek hij de druppel in een niet-vloeiende beweging over zijn hoofd. Hij knipperde een keer en gaf wat gas bij. Dit keer, zo nam hij zich voor, dit keer zou wel alles goed gaan.

Achterin werd er gezongen. One Direction dacht hij, maar het kon ook Backstreet Boys zijn. Hij hoorde het allemaal niet zo goed, nu. Hij probeerde losjes te doen, het lukte hem aardig. Vond hij. Hij keek opzij naar zijn vrouw. Die gaf zonder te kijken twee halfgesmolten chocoprinsen door naar achteren, in afwachting op een hand die ze zou aannemen. In haar mond klemde ze de ANWB-kaart van Noord-Italië. Ze was mooi zo, vandaag. Maar wat had hij haar vervloekt toen ze zei dat ze dit keer écht naar Italië wilde. Hij had Duitsland geopperd, hij wilde best naar Oostenrijk rijden, Kroatië zelfs, maar niet weer naar Italië. Het was al dik 10 jaar geleden, weerlegde ze, en het werd ook wel eens tijd dat hij zijn kinderachtige gedoe achter zich ging laten. Hij had iets terug willen zeggen, maar besefte dat het toch geen zin had. Dat hij daarna vier dagen lang geen woord had gezegd, vond hij achteraf gezien ook wel een beetje flauw.

Bij de grens kon hij, zoals verwacht stapvoets rijdend tussen de verveeld kijkende douaniers laveren. “Gordel om!”, had hij nog naar achter geroepen, maar die was allang om. “Italië, joohoee!”, riep de oudste en de jongste voegde in een adem “Even wachten noooooogg” aan die vreugdekreet toe. Ze waren er. De auto fleurde op. Hij voelde dat zijn rug nat werd van het zweet en zijn handen het stuur bijna fijnknepen. Toen zag hij het. ALT STAZIONE stond er op het groene bord. Dit was het. “Heb je kleingeld”, vroeg ze. Hij wist het niet. Hij reed door en voelde in zijn zak. Niks. Andere zak. Ook niks. Hij moest een rij kiezen. Creditcard kon ook. Is dat de rij met Cartasi? Of Telepass. Die is het vast. Of toch niet? Hij rilde. Hij wist het niet meer.

Hij sloot aan. Telepass. In zijn binnenspiegel kwam een Alfa Spider met een rotgang aangereden. Hij slikte en hield zich stoer. Tot hij vooraan stond. De slagboom. Er werd getoeterd. De man in de Alfa gebaarde heftig. Er gebeurde niets. De slagboom bleef dicht. Inmiddels was de rij auto’s achter de Alfa gegroeid met 4. Er werd weer getoeterd. En toen knapte hij. Waar hij al 10 jaar bang voor was, gebeurde. Angstzweet. Overal. Hij wist het niet meer. Het getoeter klonk als een misthoorn op een cruiseschip. Meerdere misthoorns. Het Alfa-mannetje achter hem leek op Sonny Corleone met een woede-uitbarsting. Hij wist het niet meer. Hij gaf gas. Plank. Met een gekraak dat tot in Milaan te horen moest zijn, brak de slagboom in twee. Zijn vrouw gilde. De kinderen huilden. Hij gaf gas, met zijn ogen dicht.

Giacomo Martinelli werd 54 en was op slag dood toen de zilvergrijze Ford Mondeo hem van achteren raakte. Zijn bijrijder Patrizia Martinelli, de 48-jarige vrouw van de bestuurder, lag 2 maanden in het ziekenhuis en is halfzijdig verlamd. Francesco di Lucca, de politieagent op de motor die weer door hun Lancia werd geraakt, brak zijn bekken en linkerbeen op vier plaatsen. Hij doet nu bureauwerk.

Frank zit thuis. Hij gaat nooit meer naar Italië. Kloteland.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *