Telefoontje naar huis

Wie fan is van een voetbalclub, weet dat sommige dingen niet uit te leggen zijn. Als kleine jongen ging ik samen met mijn vader en mijn 2-jaar jongere broertje mee naar FC Den Bosch, gewoon omdat dat leuk was. We speelden op de oude betonnen tribunes met lege blikjes cola en bier, kregen geld voor een chocoladereep en riepen omhoog naar mijn vader als er gejuicht werd wie er had gescoord. Later, toen ik 14 of 15 was, kochten mijn ouders 3 seizoenkaarten voor PSV en gingen mijn vader, mijn broertje en ik om de week naar Eindhoven. De aanleiding was een vriendschappelijke wedstrijd van PSV tegen AC Milan in het stadion waar de groene mat, de atmosfeer en alles wat ik hoorde en zag me betoverden. Ik was verkocht.

PSV is per definitie geen naam waar je blind voor gaat. Om te beginnen is het geen naam of woord en zijn het de beginletters van drie woorden die samen ook niet tot de verbeelding spreken. Het is geen idyllische god, monumentale volksbuurt of zelfs maar een stadsnaam. Maar toch: een voetbalclub kies je niet uit, die kiest jou en vanaf het eerste moment werd ik gepakt. We gingen jarenlang met zijn drietjes vanuit Den Bosch naar Eindhoven en leenden steeds een auto, omdat we er zelf geen hadden. Later ging ook Joris mee, net zo oud als mijn broertje en inmiddels mijn beste vriend. We gingen naar thuiswedstrijden, later ook naar uitwedstrijden in Nederland (meestal zonder mijn vader) en in 1996 gingen we naar Barcelona. Naar Camp Nou, het stadion van Cruijff, van grote wedstrijden, van Ronald Koeman die de Europacup I won. We verheugden ons op de reis totdat mijn broertje kwam zeggen dat hij niet meeging: geen geld. Dat was een probleem, want wij hadden ook maar genoeg voor één ticket per persoon. Dus uiteindelijk kochten Joris en ik twee tickets en vertrokken we naar Barcelona. Met de bus. Naar Malgrat de Mar, 18 uur, opgevouwen 1 meter 93.

Het was geweldig. We ontmoetten nieuwe vrienden, dronken bier in een kroeg in Calafell, dronken de dag van de wedstrijd nog meer en gingen jolig richting stadion. Met zijn tweeën, want mijn broertje had geen geld. We gniffelden erom en besloten hem te bellen. Vanuit een telefooncel (we praten over 1996, dus er was nog geen mobiele telefoon) belden we hem op, thuis, bij mijn moeder. We schaterden het uit om het leedvermaak, hij thuis op de bank, wij in Barcelona. Wrijven in de vlek doen mannen graag, en wij dus ook, maar we belden stiekem ook omdat we hem er graag bij hadden gehad. Mijn broertje de durfal, de grappenmaker, het zorgenkindje. We hingen op, schaterend van het lachen en gingen het stadion in. Het werd 2-2.

Als je dit leest, loop ik in Milaan. Vanavond speelt PSV in San Siro, het stadion van Internazionale voor de Champions League. PSV speelt nergens meer voor, ze hebben 1 punt, maar ik ben terug in Italië. Joris is erbij: met de auto, door Duitsland en Zwitserland, in Milaan.

Het liefst zou ik vanavond bellen. Naar huis, naar mijn broertje. Om te lachen en te vertellen waar we staan. Zonder hem.

Proost vriend. Op PSV.

2 gedachten over “Telefoontje naar huis”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *