Waarom december een kutmaand is

Goed, ik zal maar meteen met de deur in huis vallen. Ik vind december een kutmaand. Zo. Ik kan er niet meer van maken, dit is zoals het voor mij is. Nou vooruit, het is niet alleen maar kommer en kwel, maar eigenlijk zou ik het liefst een elfmaands jaar hebben, gewoon hup 30 november – jippie 1 januari.

Ik ben altijd al een zonnemens geweest. De eerste zonnestralen in maart, als je je jas open kunt houden als je naar buiten loopt, markeren het begin van het beste deel van het jaar. De periode waar je buiten kunt zitten, nog een flesje rosé kunt openen, twee keer per week kunt barbecueën, je je slippers weer tevoorschijn kunt halen en angstig wit niet de standaard gelaatskleur is. Ik vond de winter en dus december nooit echt mijn jaargetijde, maar ik accepteerde het zoals het was. Tot 13 jaar geleden.

2000 begon zonder stroomstoringen, kabbelde voort zonder Europese titel en eindigde dramatisch. ‘Je moet gaan zitten’, zei ze toen ik de telefoon opnam. ‘Hij is dood…’, snikte ze en ik zeeg letterlijk naar de grond. Dat gevoel dat de hele dag in mijn buik rondwaarde, was dus echt. Ik reed erheen, zag hem en hem tegen hem gesproken. Hij zei niks terug. Ik heb hem gevraagd waarom en heb zijn semi-lachende gezicht een kus gegeven. Het was vreemd leeg en vertrouwd. Het was vooral dood.

Ineens ben je dan enig kind. Je bent plotseling het enige levende deelproduct van je ouders, je hebt ineens niemand meer waarmee je exact dezelfde genen deelt. En ookal besef je dat niet dagelijks, wekelijks of maandelijks, je hebt niemand meer die dezelfde opvoeding kende, van kinds af aan dezelfde gerechten at, dezelfde voordeur deelde of dezelfde afwasbeurten had. Dat besef komt met vlagen en vaak pas veel later. Maar dan komt het soms ineens keihard.

Hij was gek van Kerstmis. Spendeerde zijn gehele studiebeurs of kerstsalaris aan cadeaus, groter, mooier, aparter en genoot. Hij genoot ervan als je iets uitpakte en je wéér moest zeggen dat het niet nodig was. Dan glom hij. Aan de kerstdis vrat hij zich ongans, terwijl hij het door zijn suiker eigenlijk helemaal niet kon hebben. We stonden het toe. Mijn moeder oogluikend en soms zuchtend, maar ze wist ook dat hij hier zo van genoot. Iedereen samen, spelletjes doen, morbide grappen maken, schansspringen kijken. Samen, want hij was nog veel meer een gezelschapsmens dan ik.

Deze week is het 13 jaar geleden dat hij overleed. Zomaar ineens, paf weg. Een leven voor zich, nog niet eens op een derde aanbeland. Boem. Over. De kerst van 2000 was kut, Oud en nieuw ook. Ik luisterde toen voor het eerst goed en beter naar A Long December en hoopte dat de zanger gelijk had: Maybe this year will be better than the last. Dat had hij ook. Jaren worden beter, tijd heelt wonden, maar littekens blijven. Het is een cliché, maar wel waar. Ik denk nog dagelijks aan hem, al is de tijd voorbij dat ik zijn nummer belde als er voetbal op tv was. Het went.

Donderdag 12 december, als het precies 13 jaar geleden is, gaat mijn zoon naar een nieuwe school. Dat vindt hij niet leuk, helemaal niet zelfs, maar hij weet dat het beter voor hem is. Het is de dag van een nieuw begin voor hem. Ik geloof dat niet zomaar op die dag gebeurt, als ik er goed over nadenk. Ik vermoed dat het misschien best wel eens geen toeval kan zijn.

Donderdagavond drink ik een drankje, proost ik op mijn broertje en op het leven. Want dat verdient hij en dat verdient het leven. Proost kerel. Je wordt gemist.

Tolpoortjes-o-fobia

ALT

Zo ongeveer op een kilometertje van Chiasso, wanneer het land vlakker wordt en de lucht donkerder, voelde Frank de eerste druppel op zijn voorhoofd verschijnen. Hij deed net of hij het niet voelde en plaatste ook zijn rechterhand op het stuur. Zo nonchalant als mogelijk streek hij de druppel in een niet-vloeiende beweging over zijn hoofd. Hij knipperde een keer en gaf wat gas bij. Dit keer, zo nam hij zich voor, dit keer zou wel alles goed gaan.

Kees en de doorgeslagen stoppen

Ineens, min of meer uit het niets, was daar de Minute of Fame voor Kees. Een of ander onbenullig ventje met een bescheiden carrière vooral naast het voetlicht zette Kees als een soort wereldnieuws op de mediakaart. De aanstichter was een leuke voetballer van de lengte Wesley ‘hij hep de stoelen eruit laten slopen’ Sneijder. Op voetbalgebied meer van het niveau ‘Dat doet ie anders nooit’.

Angst voor de Tuinbroek

deur
Ik zeg het maar eerlijk: ik vind mezelf een schappelijke man. Ik zeg bewust man en niet mens, want dan komt de strekking van dit verhaal beter over. Ik ben 100% voor gelijkheid der sexen als het gaat om kansen op de arbeidsmarkt, opvoeding van de kinderen, verdeling van de huishoudelijke taken en het klussen in en om het huis.
Ik vind ook dat vrouwen in veel dingen – nee, niet alleen strijken en het sanitair poetsen – beter zijn dan mannen, net als dat ik vind dat mannen beter zijn in andere dingen. Volgens mij wel een beetje een van de redenen dat mannen en vrouwen in de hedendaagse samenleving prettig samenwonen.

Ik ben ook wel een traditioneel geval, moet ik toegeven. Niet in de ‘jouw recht is het aanrecht’-zin van het woord, maar in de dagelijkse etiquette. Ik ben wel van het deuren openhouden, afhankelijk van de situatie de vrouw voorlaten danwel -gaan en het aanschuiven van stoel of ontkurken van de fles. Niet omdat ik dat moet, maar omdat ik vind dat dat hoort. Ik kan het ook slecht hebben als een vrouw in een groep mannen in de kroeg meelapt in de pot. Ik weet het, het slaat wellicht nergens op maar dat knaagt altijd een beetje. Maar dat is eigenlijk geen punt.

Maar dan. Dan komt daar ineens de tuinbroek. De vrijgevochten doorgeslagen vrouw die meent dat vrouwen sowieso in alles beter zijn dan dat inferieure manvolk met de pijngrens van een 2-jarige. Niets ontziend en gezegend met een gezonde portie ‘Mind your own fucking business’ wordt onomwonden duidelijk gemaakt dat ze zelf de deur wel kan opendoen. Geschrokken deins ik terug, waardoor ik per ongeluk op de voet in teenslipper (‘pumps? Gadverdamme, vrouwonterend stuk leder!’) stap van een andere Tuinbroek. Foute boel. Tuinbroek 1 geeft me een knalharde kopstoot (op zich knap, opspringen naar 1m 93 en dan nog met de kracht van de goal van Gullit in ‘88 doorswingen) waardoor mijn neus besluit te gaan bloeden. ‘Bloed maar eens goed ja, voel maar eens wat wij elke maand moeten doorstaan, watje!’ wordt me toegesnauwd. Terwijl ik opkrabbel, gaat Tuinbroek 2 nog even op mijn hand staan. Expres. Gelukkig draagt ze geen pumps. In mijn ontreddering wint mijn goede inborst het van mijn woede en haal ik het in mijn hoofd dat het misschien aan mij ligt, dus bied ik de beide Tuinbroeken een drankje aan, als verontschuldiging voor mijn wellicht wat vrijpostige gedrag. Nog voordat ik de zin heb uitgesproken, hoor ik iets met ‘dat is de druppel!’ en trapt Tuinbroek 3 (die verdenkt stond opgesteld, achter me voor een verrassingsoffensief) me vanachter in het kruis. Die klap kom ik niet meer te boven en murw geslagen en onder hoongelach van de Tuinbroeken strompel ik naar buiten.

Gelukkig houdt de uitsmijter de deur voor me open.

Spring dan

Hij nam een diepe zucht en stapte omhoog, op de rand van de brug. Hij hoorde niets dan het suizen in zijn oren en voelde niets dan de leegte en de angst in zijn maag. Hij zuchtte nog een keer en deed zijn ogen dicht. Hij voelde zijn ogen vochtig worden en vroeg zich af of het door de wind kwam of toch iets anders.

Missen

“Heb je gemist”, zegt ze vol overtuiging terwijl ze haar hoofd tegen me aandrukt. Mooi hoe dat kan, in die paar uurtjes. Ze lacht en zet de huppel die ze in had gezet bijna vloeiend om in een drafje om eerder bij de deur te zijn.
Missen van is een groot iets. Missen van is het vervelendste wat er is. Missen is een leegte die letterlijk niet te vullen is, totdat het gemiste terug is en je juist nog meer beseft wat het is om iets te missen.

Weg met de hartjes

Ga weg!

Om het een beetje goed te laten overkomen, moet je welhaast vingers van het poezelige niveau en de lengte Wibi Soerjadi hebben. Het blijkt een fysieke kenmerk waar de hedendaagse topvoetballer op gescout wordt: de hartjeshanden. Als je er niet aan meedoet, heb je geen swag en kom je sowieso niet in aanmerking voor de titel publiekslieveling. Het handenhartje, dé nieuwe manier om je liefde voor wat dan ook aan de supporters, bestuurders, trainers maar uiteraard vooral televisiekijkend mondiaal publiek te tonen.  De kijker wordt bij elke wedstrijd bedolven onder de moderne liefdesbetuiging van de speler. Rot toch op.

Taupe (spreek uit: toop)

‘Ik zoek taupe’, stond er op Facebook. ‘Ligt op de groentenafdeling!’, wilde ik schrijven, maar er stond echt een p. Taupe. Blijkbaar een kleur. Inderdaad: een grijsachtig bruin, of een bruinachtig grijs, zegt Wiki. Volgens mij is er geen man op aarde, behalve wellicht een homoseksuele, die met zijn volle verstand of zonder instructies van thuis openlijk om taupe zou vragen. ‘Goedemiddag, ik ben mijn schutting aan het verven. Hebt u twee blikken taupe hoogglans voor me?’ Kansloos. Het kleurenspectrum van de man is beperkter, eenvoudiger en vooral duidelijker. Primaire kleuren zijn geoorloofd en gebruikelijk, alle andere kleuren worden door mannen niet gebruikt, uitzonderingen daargelaten natuurlijk. Een spijkerbroek is blauw, gras is groen, bloed is rood. Sim-pel.

Friese terreur

Het is weer zo goed als winter. We hebben de prutzomer met aangename nazomer (of pre-winter) achter ons gelaten en gaan weer gezellig met de cv op standje bejaardenhuis naar Lingo en TV Makelaar kijken. Lekker met de warmgebreide sokken op de salontafel de Hollandse kneuterigheid in. Gordijnen om half 5 weer dicht om stookkosten te beperken en reikhalzend uitkijken naar de dag dat het weer vriest dat het kraakt en we meewarig naar winterse Anton Pieck-tafereeltjes door het keukenraam kunnen kijken.

Ik heb een hekel aan de winter. De winter, wanneer geen broek warm genoeg is. Wanneer wollen handschoenen lekker zitten maar niet warm genoeg zijn. Wanneer die thermohandschoenen niet werken met je smartphone. Wanneer je neus niet terugbeweegt als je hem ophaalt en waar het halve land in juichen uitbarst bij de wintercombi koek en zopie.

Winter is vreselijk. Het wordt licht om 9 en donker om 4 uur. Het gaat sneeuwen dus het wordt glad: gevaarlijk. Het gaat weer dooien dus de sneeuw smelt: gevaarlijk. De nachtvorst vriest die zompige troep weer aan: gevaarlijk. Je handrem bevriest: onhandig. Je auto start niet meteen: onhandig. Je moet krabben maar bent je handschoenen (thermo, want die wollen helpen toch niet) vergeten: onhandig en vervelend.

Ik haat de winter. Maar ik zou alles met een glimlach op de koop toe nemen als het ergste van de winter maar achterwege bleef. Het schaatsen. Of vooral: Friese schaatsers. De winter is het jaargetijde voor Friezen. Dan mogen ze weer: de Noren en Doorlopers (niet voor niets naar hen vernoemd) mogen weer uit het vet en iedere ochtend wordt schoorvoetend het ijs gecontroleerd op dikte, hardheid, scheuren, barsten en wegblijvende wakken. Allemaal prima, Friesland is een eind rijden vanuit het Zuiden. Maar ze moeten ook op tv. In augustus of september begint de kernploeg alweer met voorwedstrijden op de voorwedstrijden voor de World Cup-wedstrijden in Salsjabinsk, Tasjkent en Sotchi. En het hele circus moet op tv. Vanaf oktober al.

Ik verfoei de Friese schaatsers. Friezen hebben ongetwijfeld een bloedtemperatuur die minstens 5 graden lager ligt dan die van de rest van ons land. Noem mij een Fries die enthousiast reageert op een schaatshoogtepunt. Vooruit, misschien Annamarie Thomas, maar die is getrouwd met een Hagenees en woont in Eindhoven. Dat helpt. Maar verder: nee. Kijk eens naar Ids Postma. Praat op één toonhoogte. Altijd. Rintje Ritsma. Zit op een hooibaal tussen de blonde vrouwen, maar geeft geen kik. Marianne Timmer. Oké, geen Friezin, maar ze kwam er zo vaak dat ze er een werd. Saai, saai, saai, zelfs ondanks de lofzang van Frank Snoeks.

De Friese schaatsers. Geen vreugde, geen emotie. Ze worden niet boos, ze worden niet blij. Ze zijn niet verheugd met een overwinning, ze schelden het houten bankje, de starter, hun coach of de achterlijke arresleebestuurder niet verrot omdat ze zelf verliezen. Nee, ze zijn nuchter. Ik denk dat de winterdepressies in ons landje niet komen door de gebrekkige zonuren, het vroege eettijdstip of de luxaflex die om 4 uur omlaag gaan. Het komt door de Friese nuchterheid. Ik zeg: geef de Denen een paar schaatshelden, geef ons Nederlanders onze wintervreugde weer terug zodat wij ook in de winter weer kunnen gaan genieten. Zijn we meteen ook van het Friese volkslied, polsstokverspringers en Piet Paulusma af. Iemand een kopje chocolademelk?

Verscheen eerder op deprutsers.nl (http://www.deprutsers.nl/friese-terreur/#more-1364)

Mooie Mario

In Nederland word je soms nog meewarig of achterdochtig aangekeken met een roze polo, blouse of ander kledingstuk, in Italië niet. In Italië is roze cool, in Italië betekent roze iets. Dit weekend en vandaag strijkt er een roze karavaan neer in ons land: de Ronde van Italië, beter bekend als de Giro (d’Italia), doet in ruil voor héél veel euros Amsterdam, Utrecht, Middelburg en veel winderinge polderdijken aan. Amsterdam in het roze, geen onbekend aanblik, maar de rest van (west-)Nederland staat het ook best aardig.

In Utrecht en langs de route vanuit Amsterdam kwamen gisteren naar schatting een half miljoen mensen op die vette roze magneet af. Is ook niet gek: het chaotische circus van de Giro past vreemd genoeg wel bij onze calvinistische insteek. Wanorde die 3 dagen aanhoudt, kunnen we hier wel waarderen, zolang het daarna maar weer overzichtelijk wordt. De Giro is een afspiegeling van Italië zelf: protserig en patserig gedoe, gezien worden of zoals de Italianen zeggen fare la bella figura. Het ziet eruit alsof niets geregeld is, mensen doen druk, moeilijk en zijn luidruchtig maar aan het einde van de dag is alles toch op zijn pootjes terechtgekomen. Gelukkig maar.

Hoe anders is de Tour de France, de moeder aller wielerwedstrijden. De Vuelta (ronde van Spanje) deed vorig jaar Drenthe aan, de Giro nu Amsterdam en de Tour straks in juli Rotterdam. Drie rondes binnen één jaar in ons lage landje, prachtig. Maar de Tour is andere koek dan de andere twee rondes. De Tour is gecontroleerde, geregisseerde chaos maar dan in het kwadraat. De Tour is mega.

In 1996 kwam de magische Tour naar mijn stad. Le Tour en Bois le Duc, hoe was het mogelijk. Maar het gebeurde. De zaterdag was de proloog en het was nat. Het regende niet, het stortte werkelijk naar beneden. Het weerhield me er niet van te gaan kijken. Ik stond, alleen vergezeld door mijn fiets en een regenjasje, op de Diezebrug de uitgang van de Brabanthallen te bekijken (voor de niet Bosschenaren: de Brabanthallen is vlakbij de plek waar de laatste jaren steeds mensen worden doodgeschoten). Een voor een kwamen ze naar buiten: Bjarne Riis, Jan Ullrich, Abraham Olano en zijn wielervader Miguel Indurain en een ontketende Alex Zülle (Jaaaah Mart Smeets, hij heeft een Nederlandse moeder…). Ze zoefden voorbij, hard. Maar ik kwam eigenlijk vooral om een iemand te zien: Mario Cipollini, ‘s werelds beste sprinter of in ieder geval de opvallendste, protserigste, patserigste, meest Italiaanse van allemaal. Mario was een held, mijn held ook wel. Mario had een zesde zintuig voor de camera. Altijd wist hij deze te vinden en toonde de Toscaan zijn dikke glimlach aan de wereld. Altijd met een grote, stoere wielerbril, altijd in perfecte confectie. Niks geen groen shirt met een rode broek, helemaal groen. Kostte steevast, dag in dag uit een paar duizend francs aan boete van de Tourorganisatie, maar Mario betaalde het met zijn glimlach. Fare la bella figura dus. Wat een held, Mario.

Maar mijn two seconds, nou vooruit, het waren er 15 denk ik, zouden de dag erna komen, en hoe. Samen met Laurens toog ik met een blanco schrijfblokje naar de Bossche Markt, in de (ijdele) hoop een handtekening te scoren van een van onze helden. We waren vroeg die zondagochtend, heel vroeg. Weinig volk nog, dreigende wolken, geen renner te bekennen. We gingen ergens staan en er kwamen dranghekken, veel dranghekken. Maar de dranghekken werden achter ons gezet en plots kwamen er wielrenners. We hadden nauwelijks de tijd om te beseffen wat er gebeurde want binnen enkele minuten stond het gehele peloton voor onze neus. Veel mensen langs de kant, achter de dranghekken. Maar wij niet, wij stonden ervoor, midden tussen de renners. Laurens bedacht zich geen moment en ging tussen de fietsers door de wielrenners langs, met zijn pen en boekje. Ik niet, ik deed niks. Want precies voor mijn voeten, op 20 centimeter afstand, stopte Hij. Hij kneep in zijn remmen, haalde zijn zonnebril uit zijn achterzak en zette hem op. Mijn mond is vast en zeker opengevallen, ik stond letterlijk binnen handbereik van mijn wielerheld. En ineens werd mijn geest helder, schraapte ik mijn keel en vroeg ik iets. Mario keek op, verbaasd en keek mijn kant op. Hij glimlachte, verrast als hij was Italiaans te horen. “Wat denk je ervan vandaag, Mario?”, had ik ongetwijfeld stamelend gevraagd. Hij keek me aan, lachtte naar de camera’s die achter de dranghekken stonden, pakte de blauwe stift die ik hem gaf en krabbelde zijn handtekening op het vodje. “Ik hoop dat het niet regent…”, antwoordde hij terwijl hij het papiertje teruggaf. Ik bleef bedremmeld staan en toen vielen mijn 1 meter 93 waarschijnlijk op aan de agenten langs de kant. “Achter de hekken!”, werd er gesommeerd. Ik vond het prima. Ik had mijn momentje gehad. Ik had Hem gesproken en Hij had geantwoord.

Of het regende weet ik niet meer, die dag. Ik weet wel dat ik hem op tv niet zag winnen. Dat deed hij de dag erna wel, toen de Tour mijn stad verliet. Mij achterlatend met dat briefje. En zijn antwoord. Mooie Mario. Held.

Verscheen eerder op deprutsers.nl (http://www.deprutsers.nl/mooie-mario/)