Mooie Mario

In Nederland word je soms nog meewarig of achterdochtig aangekeken met een roze polo, blouse of ander kledingstuk, in Italië niet. In Italië is roze cool, in Italië betekent roze iets. Dit weekend en vandaag strijkt er een roze karavaan neer in ons land: de Ronde van Italië, beter bekend als de Giro (d’Italia), doet in ruil voor héél veel euros Amsterdam, Utrecht, Middelburg en veel winderinge polderdijken aan. Amsterdam in het roze, geen onbekend aanblik, maar de rest van (west-)Nederland staat het ook best aardig.

In Utrecht en langs de route vanuit Amsterdam kwamen gisteren naar schatting een half miljoen mensen op die vette roze magneet af. Is ook niet gek: het chaotische circus van de Giro past vreemd genoeg wel bij onze calvinistische insteek. Wanorde die 3 dagen aanhoudt, kunnen we hier wel waarderen, zolang het daarna maar weer overzichtelijk wordt. De Giro is een afspiegeling van Italië zelf: protserig en patserig gedoe, gezien worden of zoals de Italianen zeggen fare la bella figura. Het ziet eruit alsof niets geregeld is, mensen doen druk, moeilijk en zijn luidruchtig maar aan het einde van de dag is alles toch op zijn pootjes terechtgekomen. Gelukkig maar.

Hoe anders is de Tour de France, de moeder aller wielerwedstrijden. De Vuelta (ronde van Spanje) deed vorig jaar Drenthe aan, de Giro nu Amsterdam en de Tour straks in juli Rotterdam. Drie rondes binnen één jaar in ons lage landje, prachtig. Maar de Tour is andere koek dan de andere twee rondes. De Tour is gecontroleerde, geregisseerde chaos maar dan in het kwadraat. De Tour is mega.

In 1996 kwam de magische Tour naar mijn stad. Le Tour en Bois le Duc, hoe was het mogelijk. Maar het gebeurde. De zaterdag was de proloog en het was nat. Het regende niet, het stortte werkelijk naar beneden. Het weerhield me er niet van te gaan kijken. Ik stond, alleen vergezeld door mijn fiets en een regenjasje, op de Diezebrug de uitgang van de Brabanthallen te bekijken (voor de niet Bosschenaren: de Brabanthallen is vlakbij de plek waar de laatste jaren steeds mensen worden doodgeschoten). Een voor een kwamen ze naar buiten: Bjarne Riis, Jan Ullrich, Abraham Olano en zijn wielervader Miguel Indurain en een ontketende Alex Zülle (Jaaaah Mart Smeets, hij heeft een Nederlandse moeder…). Ze zoefden voorbij, hard. Maar ik kwam eigenlijk vooral om een iemand te zien: Mario Cipollini, ‘s werelds beste sprinter of in ieder geval de opvallendste, protserigste, patserigste, meest Italiaanse van allemaal. Mario was een held, mijn held ook wel. Mario had een zesde zintuig voor de camera. Altijd wist hij deze te vinden en toonde de Toscaan zijn dikke glimlach aan de wereld. Altijd met een grote, stoere wielerbril, altijd in perfecte confectie. Niks geen groen shirt met een rode broek, helemaal groen. Kostte steevast, dag in dag uit een paar duizend francs aan boete van de Tourorganisatie, maar Mario betaalde het met zijn glimlach. Fare la bella figura dus. Wat een held, Mario.

Maar mijn two seconds, nou vooruit, het waren er 15 denk ik, zouden de dag erna komen, en hoe. Samen met Laurens toog ik met een blanco schrijfblokje naar de Bossche Markt, in de (ijdele) hoop een handtekening te scoren van een van onze helden. We waren vroeg die zondagochtend, heel vroeg. Weinig volk nog, dreigende wolken, geen renner te bekennen. We gingen ergens staan en er kwamen dranghekken, veel dranghekken. Maar de dranghekken werden achter ons gezet en plots kwamen er wielrenners. We hadden nauwelijks de tijd om te beseffen wat er gebeurde want binnen enkele minuten stond het gehele peloton voor onze neus. Veel mensen langs de kant, achter de dranghekken. Maar wij niet, wij stonden ervoor, midden tussen de renners. Laurens bedacht zich geen moment en ging tussen de fietsers door de wielrenners langs, met zijn pen en boekje. Ik niet, ik deed niks. Want precies voor mijn voeten, op 20 centimeter afstand, stopte Hij. Hij kneep in zijn remmen, haalde zijn zonnebril uit zijn achterzak en zette hem op. Mijn mond is vast en zeker opengevallen, ik stond letterlijk binnen handbereik van mijn wielerheld. En ineens werd mijn geest helder, schraapte ik mijn keel en vroeg ik iets. Mario keek op, verbaasd en keek mijn kant op. Hij glimlachte, verrast als hij was Italiaans te horen. “Wat denk je ervan vandaag, Mario?”, had ik ongetwijfeld stamelend gevraagd. Hij keek me aan, lachtte naar de camera’s die achter de dranghekken stonden, pakte de blauwe stift die ik hem gaf en krabbelde zijn handtekening op het vodje. “Ik hoop dat het niet regent…”, antwoordde hij terwijl hij het papiertje teruggaf. Ik bleef bedremmeld staan en toen vielen mijn 1 meter 93 waarschijnlijk op aan de agenten langs de kant. “Achter de hekken!”, werd er gesommeerd. Ik vond het prima. Ik had mijn momentje gehad. Ik had Hem gesproken en Hij had geantwoord.

Of het regende weet ik niet meer, die dag. Ik weet wel dat ik hem op tv niet zag winnen. Dat deed hij de dag erna wel, toen de Tour mijn stad verliet. Mij achterlatend met dat briefje. En zijn antwoord. Mooie Mario. Held.

Verscheen eerder op deprutsers.nl (http://www.deprutsers.nl/mooie-mario/)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *