De zin die veel te kort is.

“Twintig jaar al”, antwoordde ik bijna achteloos op de vraag hoe lang hij al dood was. Ik herstelde me meteen: het waren er ‘pas’ negentien, een Matthijs de Ligt en een beetje minder geleden dus. Wat een tijd, 19 jaar. En soms voelt het als gisteren.

Het rare aan mensen die er ineens niet meer zijn, is voor mij het zetten van de punt terwijl alle zinnen eromheen gewoon doorlopen: met komma’s, bijzinnen, uitroeptekens en vraagtekens. De zin van mijn broertje was een korte, met veel klemtoon, gedachtestreepjes en krachtige woorden. Maar wel kort. Terwijl de zinnen van de rest doorkabbelen en soms een leesteken krijgen, eindigde die van hem. Zomaar ineens. Punt.

Iedereen is ouder. Rimpels, grijze haren, trouwerijen en scheidingen. Eigen huis, diploma’s, sterfgevallen en geboortes. Feestjes waarna je dronken van geluk in bed belandt, pittige dagen waarop je tranen en verdriet wegslikt. Dagen en gebeurtenissen die je met elkaar beleeft, die je aan elkaar vertelt en met elkaar deelt. Een nieuwe bijzin, een nieuw zinsdeel, elke dag opnieuw. Het enige wat je met zijn zin kunt en moet doen, is deze lezen. En lezen. En nog een keer lezen en het liefst zelfs voorlezen, aan mensen die hem goed of een beetje kenden, maar vooral ook aan mensen die hem niet kenden maar waarvan je zelf zo graag had gehad dat ze dat wel hadden gedaan. Of eigenlijk nog, nu nog steeds deden.

Elk jaar, rond zijn sterfdag, probeer ik iets op te schrijven. Iets uit mijn herinnering te halen dat ik misschien zelfs wel bijna vergeten was. Niet voor mezelf, vooral voor juist hen die hem niet hebben gekend. Over zijn streken, zijn gemanipuleer, zijn enorme koppigheid. Maar vooral over zijn charme, zijn vermogen mensen te verbinden, zijn (veel te) grote hart en zijn genereuze zelf.

Maar misschien wel het allermeest voor hem. Zodat hij weet dat ik hem niet vergeet.

Vanavond pak ik – traditiegetrouw – een drankje en proost ik op hem en zijn veel te korte zin. Ik hou van je, man.

Telefoontje naar huis

Wie fan is van een voetbalclub, weet dat sommige dingen niet uit te leggen zijn. Als kleine jongen ging ik samen met mijn vader en mijn 2-jaar jongere broertje mee naar FC Den Bosch, gewoon omdat dat leuk was. We speelden op de oude betonnen tribunes met lege blikjes cola en bier, kregen geld voor een chocoladereep en riepen omhoog naar mijn vader als er gejuicht werd wie er had gescoord. Later, toen ik 14 of 15 was, kochten mijn ouders 3 seizoenkaarten voor PSV en gingen mijn vader, mijn broertje en ik om de week naar Eindhoven. De aanleiding was een vriendschappelijke wedstrijd van PSV tegen AC Milan in het stadion waar de groene mat, de atmosfeer en alles wat ik hoorde en zag me betoverden. Ik was verkocht.

PSV is per definitie geen naam waar je blind voor gaat. Om te beginnen is het geen naam of woord en zijn het de beginletters van drie woorden die samen ook niet tot de verbeelding spreken. Het is geen idyllische god, monumentale volksbuurt of zelfs maar een stadsnaam. Maar toch: een voetbalclub kies je niet uit, die kiest jou en vanaf het eerste moment werd ik gepakt. We gingen jarenlang met zijn drietjes vanuit Den Bosch naar Eindhoven en leenden steeds een auto, omdat we er zelf geen hadden. Later ging ook Joris mee, net zo oud als mijn broertje en inmiddels mijn beste vriend. We gingen naar thuiswedstrijden, later ook naar uitwedstrijden in Nederland (meestal zonder mijn vader) en in 1996 gingen we naar Barcelona. Naar Camp Nou, het stadion van Cruijff, van grote wedstrijden, van Ronald Koeman die de Europacup I won. We verheugden ons op de reis totdat mijn broertje kwam zeggen dat hij niet meeging: geen geld. Dat was een probleem, want wij hadden ook maar genoeg voor één ticket per persoon. Dus uiteindelijk kochten Joris en ik twee tickets en vertrokken we naar Barcelona. Met de bus. Naar Malgrat de Mar, 18 uur, opgevouwen 1 meter 93.

Het was geweldig. We ontmoetten nieuwe vrienden, dronken bier in een kroeg in Calafell, dronken de dag van de wedstrijd nog meer en gingen jolig richting stadion. Met zijn tweeën, want mijn broertje had geen geld. We gniffelden erom en besloten hem te bellen. Vanuit een telefooncel (we praten over 1996, dus er was nog geen mobiele telefoon) belden we hem op, thuis, bij mijn moeder. We schaterden het uit om het leedvermaak, hij thuis op de bank, wij in Barcelona. Wrijven in de vlek doen mannen graag, en wij dus ook, maar we belden stiekem ook omdat we hem er graag bij hadden gehad. Mijn broertje de durfal, de grappenmaker, het zorgenkindje. We hingen op, schaterend van het lachen en gingen het stadion in. Het werd 2-2.

Als je dit leest, loop ik in Milaan. Vanavond speelt PSV in San Siro, het stadion van Internazionale voor de Champions League. PSV speelt nergens meer voor, ze hebben 1 punt, maar ik ben terug in Italië. Joris is erbij: met de auto, door Duitsland en Zwitserland, in Milaan.

Het liefst zou ik vanavond bellen. Naar huis, naar mijn broertje. Om te lachen en te vertellen waar we staan. Zonder hem.

Proost vriend. Op PSV.

Kees en de doorgeslagen stoppen

Ineens, min of meer uit het niets, was daar de Minute of Fame voor Kees. Een of ander onbenullig ventje met een bescheiden carrière vooral naast het voetlicht zette Kees als een soort wereldnieuws op de mediakaart. De aanstichter was een leuke voetballer van de lengte Wesley ‘hij hep de stoelen eruit laten slopen’ Sneijder. Op voetbalgebied meer van het niveau ‘Dat doet ie anders nooit’.