Kees en de doorgeslagen stoppen

Ineens, min of meer uit het niets, was daar de Minute of Fame voor Kees. Een of ander onbenullig ventje met een bescheiden carrière vooral naast het voetlicht zette Kees als een soort wereldnieuws op de mediakaart. De aanstichter was een leuke voetballer van de lengte Wesley ‘hij hep de stoelen eruit laten slopen’ Sneijder. Op voetbalgebied meer van het niveau ‘Dat doet ie anders nooit’.

Weg met de hartjes

Ga weg!

Om het een beetje goed te laten overkomen, moet je welhaast vingers van het poezelige niveau en de lengte Wibi Soerjadi hebben. Het blijkt een fysieke kenmerk waar de hedendaagse topvoetballer op gescout wordt: de hartjeshanden. Als je er niet aan meedoet, heb je geen swag en kom je sowieso niet in aanmerking voor de titel publiekslieveling. Het handenhartje, dé nieuwe manier om je liefde voor wat dan ook aan de supporters, bestuurders, trainers maar uiteraard vooral televisiekijkend mondiaal publiek te tonen.  De kijker wordt bij elke wedstrijd bedolven onder de moderne liefdesbetuiging van de speler. Rot toch op.

Mooie Mario

In Nederland word je soms nog meewarig of achterdochtig aangekeken met een roze polo, blouse of ander kledingstuk, in Italië niet. In Italië is roze cool, in Italië betekent roze iets. Dit weekend en vandaag strijkt er een roze karavaan neer in ons land: de Ronde van Italië, beter bekend als de Giro (d’Italia), doet in ruil voor héél veel euros Amsterdam, Utrecht, Middelburg en veel winderinge polderdijken aan. Amsterdam in het roze, geen onbekend aanblik, maar de rest van (west-)Nederland staat het ook best aardig.

In Utrecht en langs de route vanuit Amsterdam kwamen gisteren naar schatting een half miljoen mensen op die vette roze magneet af. Is ook niet gek: het chaotische circus van de Giro past vreemd genoeg wel bij onze calvinistische insteek. Wanorde die 3 dagen aanhoudt, kunnen we hier wel waarderen, zolang het daarna maar weer overzichtelijk wordt. De Giro is een afspiegeling van Italië zelf: protserig en patserig gedoe, gezien worden of zoals de Italianen zeggen fare la bella figura. Het ziet eruit alsof niets geregeld is, mensen doen druk, moeilijk en zijn luidruchtig maar aan het einde van de dag is alles toch op zijn pootjes terechtgekomen. Gelukkig maar.

Hoe anders is de Tour de France, de moeder aller wielerwedstrijden. De Vuelta (ronde van Spanje) deed vorig jaar Drenthe aan, de Giro nu Amsterdam en de Tour straks in juli Rotterdam. Drie rondes binnen één jaar in ons lage landje, prachtig. Maar de Tour is andere koek dan de andere twee rondes. De Tour is gecontroleerde, geregisseerde chaos maar dan in het kwadraat. De Tour is mega.

In 1996 kwam de magische Tour naar mijn stad. Le Tour en Bois le Duc, hoe was het mogelijk. Maar het gebeurde. De zaterdag was de proloog en het was nat. Het regende niet, het stortte werkelijk naar beneden. Het weerhield me er niet van te gaan kijken. Ik stond, alleen vergezeld door mijn fiets en een regenjasje, op de Diezebrug de uitgang van de Brabanthallen te bekijken (voor de niet Bosschenaren: de Brabanthallen is vlakbij de plek waar de laatste jaren steeds mensen worden doodgeschoten). Een voor een kwamen ze naar buiten: Bjarne Riis, Jan Ullrich, Abraham Olano en zijn wielervader Miguel Indurain en een ontketende Alex Zülle (Jaaaah Mart Smeets, hij heeft een Nederlandse moeder…). Ze zoefden voorbij, hard. Maar ik kwam eigenlijk vooral om een iemand te zien: Mario Cipollini, ‘s werelds beste sprinter of in ieder geval de opvallendste, protserigste, patserigste, meest Italiaanse van allemaal. Mario was een held, mijn held ook wel. Mario had een zesde zintuig voor de camera. Altijd wist hij deze te vinden en toonde de Toscaan zijn dikke glimlach aan de wereld. Altijd met een grote, stoere wielerbril, altijd in perfecte confectie. Niks geen groen shirt met een rode broek, helemaal groen. Kostte steevast, dag in dag uit een paar duizend francs aan boete van de Tourorganisatie, maar Mario betaalde het met zijn glimlach. Fare la bella figura dus. Wat een held, Mario.

Maar mijn two seconds, nou vooruit, het waren er 15 denk ik, zouden de dag erna komen, en hoe. Samen met Laurens toog ik met een blanco schrijfblokje naar de Bossche Markt, in de (ijdele) hoop een handtekening te scoren van een van onze helden. We waren vroeg die zondagochtend, heel vroeg. Weinig volk nog, dreigende wolken, geen renner te bekennen. We gingen ergens staan en er kwamen dranghekken, veel dranghekken. Maar de dranghekken werden achter ons gezet en plots kwamen er wielrenners. We hadden nauwelijks de tijd om te beseffen wat er gebeurde want binnen enkele minuten stond het gehele peloton voor onze neus. Veel mensen langs de kant, achter de dranghekken. Maar wij niet, wij stonden ervoor, midden tussen de renners. Laurens bedacht zich geen moment en ging tussen de fietsers door de wielrenners langs, met zijn pen en boekje. Ik niet, ik deed niks. Want precies voor mijn voeten, op 20 centimeter afstand, stopte Hij. Hij kneep in zijn remmen, haalde zijn zonnebril uit zijn achterzak en zette hem op. Mijn mond is vast en zeker opengevallen, ik stond letterlijk binnen handbereik van mijn wielerheld. En ineens werd mijn geest helder, schraapte ik mijn keel en vroeg ik iets. Mario keek op, verbaasd en keek mijn kant op. Hij glimlachte, verrast als hij was Italiaans te horen. “Wat denk je ervan vandaag, Mario?”, had ik ongetwijfeld stamelend gevraagd. Hij keek me aan, lachtte naar de camera’s die achter de dranghekken stonden, pakte de blauwe stift die ik hem gaf en krabbelde zijn handtekening op het vodje. “Ik hoop dat het niet regent…”, antwoordde hij terwijl hij het papiertje teruggaf. Ik bleef bedremmeld staan en toen vielen mijn 1 meter 93 waarschijnlijk op aan de agenten langs de kant. “Achter de hekken!”, werd er gesommeerd. Ik vond het prima. Ik had mijn momentje gehad. Ik had Hem gesproken en Hij had geantwoord.

Of het regende weet ik niet meer, die dag. Ik weet wel dat ik hem op tv niet zag winnen. Dat deed hij de dag erna wel, toen de Tour mijn stad verliet. Mij achterlatend met dat briefje. En zijn antwoord. Mooie Mario. Held.

Verscheen eerder op deprutsers.nl (http://www.deprutsers.nl/mooie-mario/)

De droom van de Serie A

Honderden jaren geleden bestond Italië uit allerlei kleine stadsstaatjes, voornamelijk onder bestuur van machtige edelen, koningen of progressieve pseudo-democratieën. Het machtige Florence was het toonbeeld van de moderne tijd na de donkere Middeleeuwen: het centrum van verlicht denken, van ontluikende culturele en artistieke talenten. In die tijd was het in hevig gevecht verwikkeld met Siena, de naburige stad. Door een grote pestepidemie stierf het grootste gedeelte van de Sienese bevolking en bleef de Duomo, die het pronkstuk van de Zuid-Toscaanse macht moest symboliseren en bovendien die van Florence moest overtreffen, onafgebouwd. Nu, vele jaren en vooral voetbalseizoenen later, is de wraak van Siena naar de gehate grote broer Florence mierzoet.

In 2002 ging Fiorentina, een van de grootste clubs uit het Italiaanse voetbal, failliet. Gedwongen degradatie naar de laagste professionele voetbaldivisie van het land, de Serie C2, was een feit. Een seizoen na deze hel lijkt de ploeg, met nieuw bestuur, nieuwe spelers en met de teruggekochte oude naam, weer op weg naar het paradijs: de Serie A. Een paar honderd kilometer zuidelijker voltrok zich nog een groter wonder: het nietige AC Siena is na een schitterend seizoen als kampioen van de Serie B gepromoveerd naar het Walhalla.

Siena is de stad van furieuze paardenrennen in de unieke palio. Stad van traditie met haar
karakteristieke, onafgebouwde Duomo. Stad van het karakteristieke schelpvormige plein en stad van voetbal. Een grotere tegenstelling lijkt haast niet denkbaar. Italië-gangers die Siena bezoeken, staren verwachtingsvol naar de prachtige, historische skyline, met de campanile van het stadhuis en de schitterende zwart-witte Duomo. De kans is daardoor groot dat ze vergeten even naar links te kijken wanneer ze de stad binnenkomen. Net vóór de oude binnenstad ligt namelijk het Stadio Artemio Franchi, waar het afgelopen seizoen het kleine wonder heeft plaatsgevonden.

Siena speelt dit seizoen voor het eerst in il paradiso del calcio: de Serie A. Iedere voetbalfan die je een jaar geleden had voorspeld dat Siena naar de Serie A zou promoveren, laat staan het kampioenschap van de Serie B zou binnenhalen, had je voor gek verklaard. Een logische reactie: de Toscanen sleepten pas op de laatste speeldag van het seizoen 2001-2002 een verlengd verblijf in de Serie B uit het vuur. Het jaar was dramatisch verlopen en de lokale supporters stelden zich opnieuw in op een jaar in de marge van het Italiaanse voetbal. De rijke Napolitaanse voorzitter Paolo De Luca dacht er echter geheel anders over en deelde bij de presentatie van het nieuwe team rode T-shirts uit met daarop de tekst ‘Una lucida follia: Sogniamo la Serie A’ uit.

Wat niemand verwacht, behalve misschien de trainer Papadopulo (bijgenaamd il papa), gebeurt toch: het seizoen van la Robur verloopt als een droom. ‘Gestolen’ overwinningen in de laatste minuten bij concurrenten Napoli en Hellas Verona, met 9 man de grote concurrent Sampdoria in Genova verslaan en de opleving van het Braziliaanse wonderkind Pinga en de bonkige midvoor Tiribocchi zorgen voor il miracolo. Op de allerlaatste speeldag wordt zelfs de titel van de Serie B behaald, een ongekende en vooral onverwachte prestatie. De stad is in rep en roer en wrijft zich nog eens goed in de ogen. De Serie A wacht op het nietige maar dappere Siena.

Toeristen klinkt het als muziek in de oren. Stedentripjes naar het romantische Venezia, het klassieke Firenze of het chaotische Napoli. Voor Italiaanse tifosi zijn het zondagse doemscenario’s. Zij prefereren een busreis naar Empoli, Brescia of Udine. Supporters van grootheden als Milan, Inter of Juventus met gevoel voor historie en schoonheid kunnen het komende seizoen een extra cultureel uitstapje aan hun uitwedstrijden toevoegen, al is het hoogst twijfelachtig of zij oog hebben voor al dat moois. Voor alle anderen die binnenkort nog eens in Siena belanden: kijk wanneer je de stad binnenkomt gerust even naar links, want daar gebeuren hele leuke dingen.

Verscheen eerder (lang geleden) op www.italie.nl (http://www.italie.nl/Siena/3722/default.html)

Spiegeltje, spiegeltje aan de kleedkamerwand

Voetbal is een mannensport. Ondanks de goede bedoelingen van alle dames die zich vol overgave storten op de populairste sport ter wereld kun je eigenlijk niet anders concluderen dan dat. De eigenzinnige voorzitter van AC Perugia, Luciano Gaucci, is niet te beroerd om regelmatig wat olie op het bekende en conservatieve voetbalvuurtje te gooien. Zo was hij van zins om de beste speelster van de wereld te contracteren en zo als eerste profclub ter wereld een vrouw bij de selectie te halen. De behoudende wereldvoetbalbond stak daar een stokje voor en haalde een of andere stoffige regel uit de reglementen naar voren die vermenging van de sexen uitdrukkelijk verbood – geen vrouwen in de mannensport.

Maar behalve vrouwen op het veld wordt ook verwijfd gedrag nergens getolereerd. Ruud van Nistelrooy kwam van PSV bij Manchester United en vond een modieus haarbandje wel gemakkelijk om zijn haar tijdens de training uit zijn gezicht te houden. Aanvoerder Roy Keane, van het type schoffelaar, bracht onze Ruud op andere gedachten en schopte de spits direct zó hard dat hij zijn haarbandje voortaan wel thuisliet. De Belg Stijn Vreven, getooid met een flinke Franse staart, werd in ieder stadion door het thuispubliek vriendelijk gevraagd ‘zijn tieten te laten zien’. Voetbal is een mannensport, vrouwelijk gedrag wordt niet geaccepteerd. Behalve in Italië, waar la bella figura door de hele maatschappij verweven is, dus ook in het stadion.

De gehele Italiaanse Serie A is doorspekt met gesoigneerde en verzorgde mannen. Spelers als Alessandro Nesta, topverdediger van Milan en ook nog eens gezegend met een onschuldig engelengezicht, heeft zijn lange zwarte lokken steevast in een haarband gepropt. Wie een los plukje ziet, mag zich melden. Golden boy Alessandro Del Piero, spelmaker van grootheid Juventus en het nationale team, wisselt ongeveer ieder half jaar van coupe en baardgroei en verdient lekker bij als model voor zonnebrillen. Maar ook mindere goden als Gennaro Gattuso, schopper op het middenveld van Milan, spendeert minstens anderhalf uur voor de spiegel voordat hij het veld betreedt: piekfijn verzorgde sik, haren onberispelijk in model. Het maakt niks uit, want het wordt geaccepteerd of misschien zelfs wel gevraagd. Het sterrenensemble van Lazio Roma kent louter en alleen modepoppen, alleen Jaap Stam vormt een opvallende uitzondering. De Serie A is een weerspiegeling van de Italiaanse cultuur. Nergens ter wereld besteedt men zoveel tijd en aandacht aan zijn of haar uiterlijk, nergens is de man zo ijdel als in Italië.

Gelukkig zijn er ook in Italië grenzen. Tijdens EURO2000 in Nederland en België bleken de faciliteiten in de luxe hotels en kleedkamers niet voldoende. Op last van de spelers werden er voor ruim 20.000 gulden extra spiegels en föhns aangebracht. Milde kritiek was het resultaat, maar de specchi bleven hangen. In de jaren 90 had middenvelder Nicola Berti een dermate grote kuif laten knippen, dat hij gekscherend la banana werd genoemd. Elders in de wereld durft eigenlijk alleen de verwende David Beckham zijn overmatige vrouwelijke kant te tonen. Speciaal voor hem is de nieuwe term metrosexueel bedacht. In Madrid is hij voornamelijk aangetrokken om zijn marketingtechnische waarde. Het wachten is op een lucratieve transfer naar Italië. Daar zal de Milanese of Romeinse middenstand zich in de handen wrijven met de komst van de familie Beckham en iedere kapper, schoonheidsspecialist of modehuis een extra dankgebedje doen. Misschien is voetbal toch een vrouwensport…

Verscheen ooit op www.italie.nl (http://www.italie.nl/Spiegeltje/3723/default.html)

Augustus 1990

Afgelopen seizoen, hij had goed ges­lapen en zijn beste vriend (die op 2500km afs­tand woont) glo­rieus inge­maakt met FIFA12, stond hij op en rekte zich uit. Hij keek naar de andere kant van het bed en grin­nikte toen hij de blonde lokken en het naakte lijf van haar zag. Hij liep in adamskos­tuum richt­ing bad­kamer en lachte over­dreven naar zijn spiegel­beeld. Het beviel hem wel wat hij zag. Hij tikte twee keer op zijn link­er­wang en drie keer op zijn rechter, pakte de tanden­bors­tel en poet­ste zijn tanden zon­der zijn blik van zijn spiegel­beeld af te halen. Knipoogje met links, boze frons, sto­ere pose. Het was goed, zo con­sta­teerde hij zelf. Toen hij terug de woonkamer inkwam, zag hij pas wat een rot­zooi het was. Acht lege piz­zadozen, lege bierb­lik­jes, lam­pen nog aan en de gordi­j­nen half open. Haar string lag op de bank en de Gucci-jas van John lag in de deu­ropen­ing. De deur was gewoon open dus. Hij stopte met grin­niken en kon niet anders dan hardop lachen. Wát een avond was het geweest. Hij wist niet dat Anselmo zóveel kon drinken, hij wist ook niet dat zij zó vre­selijk passief zou zijn. Die vuurpijl was miss­chien achteraf niet zo’n heel goed idee maar ach, dat vuurtje was toch snel gedoofd. Er moest toch een beetje leven komen in deze saaie stad. De tele­foon ging. De Bentley-dealer. Zijn Con­ti­nen­tal was klaar. Wilde hij em komen halen of zouden ze iemand sturen? Ik kom eraan, riep hij in de hoorn, voor­dat hij richt­ing wc liep. God, wat moest hij toch nodig.

Afgelopen seizoen, hij had goed ges­lapen en nog vóór Ik hou van Hol­land zijn bed opge­zocht, stond hij op en rekte zich uit. Hij keek naar de andere kant van het bed en bedacht zich ineens dat hij de wekker­ra­dio nog in de keuken had liggen. Hij zette drie grote passen naar de deur van de slaap­kamer en trok de rode bad­jas aan, die van twee jaar gele­den, uit de finale. In de bad­kamer keek hij naar zichzelf. Poet­ste zijn tanden en pakte het scheer­mes. Beetje roest, maar kon vast nog wel een keertje. Niet dus: wondje in zijn nek. Beetje crème erop dan maar. Hij spoelde zijn mond met achtereen­vol­gens water en Lis­ter­ine blauw en deed toen het licht uit. Toen hij terug de woonkamer inkwam, zag hij dat zijn trui nog over de stoel hing. Vast ver­geten om gis­ter­e­navond in de kast te leggen. Hij rook eraan — nog fris –  en legde hem op tafel. Hij bekeek het stapeltje recht geor­dende post­stukken op de tafel en nam zich voor die van­mid­dag even door te nemen en in een map te stop­pen. Hij moest ook zijn broer nog bellen over mor­gen, want hij wist niet zeker of die al iets gekocht had voor hun moeder, die bijna jarig was. Hij grin­nikte: waarschi­jn­lijk had hij weer iets gekocht dat ze al had, zou niet de eerste keer zijn. Gelukkig had hij zelf het geheugen van zijn vader. De tele­foon ging. Wout belde, of hij mee een stukje ging ren­nen. Ik ben over tien minuten bij je, riep hij in de hoorn, voor­dat hij richt­ing tafel liep. Komt dat even goed uit: kan ik meteen de trui van gis­teren aandoen.

28 juni 2012. Met een kiezel­harde kop­bal en een kanon­sko­gel van het type mag­is­traal schiet Mario Balotelli zijn land voor­bij top­fa­voriet Duit­s­land en in de finale van EURO 2012. Duizend kilo­me­ter verderop kijkt Luuk de Jong adem­loos toe, in zijn eigen huiskamer. Zelfde jaar­gang, zelfde maand. Mario is 15 dagen ouder. En mijlen verder.

Verscheen eerder op www.onzepool.nl tijdens Euro2012

Churandy

Het is voorbij. Althans, bijna. De Zomer die de Zomer der Zomers had moeten worden maar uiteindelijk het depressieve gedrocht van een jaargetijde bleek te zijn, met een verkwikkend slot. En drie woorden.

De polonaise was al door het halve land ingezet, de oranje troep was niet aan te slepen en op Facebook bestond sinds oktober vorig jaar al een Evenement waar duizenden mensen zich voor hadden aangemeld; de huldiging van Oranje in de Amsterdamse grachten. Ik ook, ik beken. Robert Gesink ging op het podium eindigen in de Tour de France, Johnny Hoogerland zou zijn getekende gladgeschoren benen wel even de Alpen overfietsen en glorieus in bolletjes in Parijs arriveren. In op de Olympische Spelen zouden we wel even 30 medailles gaan halen, want ‘we staan er ontzettend goed op’.

Het leek zo mooi. Het werd bagger. Het EK, de Tour. Demart, de zomer. Lichtpuntje Marianne Vos die on-Nederlands deed wat ze in Peking beloofde; goud. Verder niks. Ook Londen leek de tragische dood te sterven die iedereen na Charkov had zien aankomen. Totdat het hardlopen begon. Niet in het wit of blauw, maar in het Oranje van Wilhelmus van Nassaue zwaaide hij, klein stukje goud prijsgevend, de camera in. En juist op dat moment leek het wel alsof alles wat oranje was zich op het achterhoofd krabde en leek te beseffen hoe zeer we in slaap waren gesust door Bert van Marwijk, Robin van Persie en Theo de Rooij. 100 meter en een acterende bliksemflits verder was de slaap uit de ogen van de natie. De drie woorden die de zomer terugbrachten en de wolken deed verdwijnen waren gezegd: ik ben blij.

Voor het eerst in weer lange tijd omarmde een mopperend land een pure, oprechte landgenoot en schopte het de door Wilders aangewakkerde haat in een hoekje. De Willemsstedeling maakte in een klap goed wat de Venlonaar in jaren vakkundig had afgebroken. Met zijn ‘ik ben blij’ vulde Churandy Martina de huiskamers in het warmer wordende Nederland met trots en een glimlach. Dat zijn races uiteindelijk niet resulteerden in een medaille leek hem niet te deren en deed dat zeker niet bij zijn landgenoten. Ook in Londen ging het Churandy-virus als een Dorifel rond en wapperde het roodwitblauw ook in boten, hockeystadion en paardenzandbak weer alsof we in de Gouden Eeuw leefden. En steeds weer, elke dag, werd het ik ben blij van stal gehaald en geciteerd als het nieuwe Je Maintiendrai.

Wat Churandy Martina deed, levert hem wat mij betreft nu al de titel Sportman van het Jaar op. Mocht er straks na 12 september een plek in de regering vrijkomen, zou ik het de (nieuwe) premier aanraden eens naar Florida te bellen. En de TROS zou er goed aan doen Martina te vragen als startschotlosser bij Te land, ter zee en in de lucht. We zijn geChurandyeert en het voelt zó lekker, dat ik er blij van word.

Verscheen eerder op deprutsers.nl (http://www.deprutsers.nl/churandy/#more-1496)