Bastiaan

De naam die je bij je geboorte krijgt, moet haast wel een rol spelen in hoe je opgroeit en hoe de rest van je leven eruitziet. Toen ik klein was, vond ik mijn naam echt niet leuk. Het was een aparte naam, de meeste kinderen heetten Thomas of Laurens of Bart. Toen mijn moeder in het ziekenhuis lag in afwachting van mijn geboorte, had ze met mijn vader een discussie: ze wilden mij óf Martijn óf Jeroen noemen. Mijn vader had een voorkeur voor Jeroen, want hij Is Bosschenaar van geboorte en hij vond de link naar Jeroen Bosch mooi. Over de meisjesnamen waren ze het ook niet eens, en mijn ouders hadden een soort van afspraak dat mijn vader de meisjesnaam mocht kiezen en mijn moeder de jongensnaam. De dag voor mijn geboorte werden er – zo is mij verteld – op de kraamafdeling een Jeroen én een Martijn geboren. Plan B van Boudewijn trad in werking en in plaats van een doorsnee naam met nul lading kreeg ik ineens een aparte naam met hockey-gevoelens. Als kind vond ik het niets, nu ben ik er juist wel trots op.

Een paar weken geleden zat ik op het terras van een tennisclub toen ik ineens werd aangesproken door een vaag bekend gezicht. “Ben jij niet de broer van Bastiaan?” Ik knikte ja en we raakten in gesprek, maar het overviel me en raakte me ook. Bastiaan. De naam van mijn twee jaar jongere broertje die nu 21 jaar geleden plotseling overleed. Zijn naam hoor je ook niet zo vaak en elke keer als ik em hoor, komt er een raar gevoel in me los. Het is een soort mix van fijn en ongemakkelijk. Het gezegde dat iemand pas dood is als niemand meer aan hem denkt, is natuurlijk wel waar en als ik iemand zijn naam hoor noemen, landt die naam altijd op een hypergevoelig plekje. Bastiaan. Later veelvuldig afgekort naar Bas of Basti of Bassie of zo. Het blijft een raar gevoel, zelfs nu ik het zo opschrijf.

“Hoe is jouw naam ook alweer?”, vroeg het vaag bekende gezicht dat een oud-klasgenoot van Bastiaan bleek te zijn. Een knikje van herkenning na het noemen van mijn naam, een groet en weg was hij, mij achterlatend met dat rake gevoel. Het was ergens ook wel mooi, dat hij mijn naam niet meer wist en die van mijn broertje wel.

Veel vrienden die ik nu nog heb, hebben Bastiaan gekend. Met zijn altijd aanwezige suikerziekte, maar vooral met zijn rare fratsen en zijn immens grote hart. Dat is fijn: zij noemen zijn naam ook af en toe, gevolgd door dat gekke gevoel dat het bij mij oproept. Mijn kinderen kennen hem niet, maar ook zij noemen zijn naam toch, af en toe. Het houdt hem levend of in ieder geval aanwezig. Ook na 21 jaar, nog steeds.

Ik mis je nog elke dag, klein broertje van me. Ik proost vanavond op jou, Bastiaan.

Twintig

Twintig. Toen ik tien was, vond ik mensen van twintig heel fascinerend. Ze konden en mochten auto rijden, mochten bier drinken en zo lang opblijven als ze zelf wilden. Hoefden geen spruitjes te eten en mochten ongestraft grapjes maken over vieze dingen.

Vandaag is het exact twintig jaar geleden dat mijn broertje overleed. Hij was vierentwintig en mocht bier drinken en zo lang opblijven als hij wilde. Spruitjes legde hij steevast aan de kant en grapjes maken deed hij overal over. Tot die dag in december.

De laatste tijd vraag ik me steeds af of hem zou herkennen, als ik hem zou tegenkomen. Als hij gewoon vierenveertig zou zijn nu, opgegroeid als ik. Zou hij al grijzig zijn geworden, net als ik? Kinderen hebben, net als ik? Lijnen in zijn gezicht hebben en soms op donderdagochtend stram wakker worden na het uurtje sporten, net als ik? Zou ik zijn loopje herkennen, dat typische Goossens-loopje dat ik herken bij mijn vader en mijn zoon en dat ik ook schijn te hebben? Zou ik hem herkennen, die volwassen man, als ik hem tegen het lijf zou lopen, of naast hem zou staan bij de kassa? Of zou ik hem voorbijlopen, zonder dat ik door zou hebben dat hij het was. Veranderd, ouder geworden? Ik weet het niet, maar hoop van niet.

Soms laat mijn zoon mij filmpjes zien van toen hij 10 was, die hij terugvindt op zijn telefoon. Hoog stemmetje, nauwelijks herkenbaar. Ik weet niet of ik van mijn broertje nog zijn stem zou herkennen. Toen hij net dood was, belde ik soms zijn telefoon: eerst als macht der gewoonte, omdat we elkaar wekelijks 3, 4 keer belden. Later om zijn voicemail te horen, een herinnering aan iemand wiens stem er nog wel is maar verder gewoon niet meer bestaat. Het stopte toen ik als ‘de erven Bastiaan Goossens’ bericht kreeg dat zijn telefoonrekening was opgeheven.

In die twintig jaar leef je door en staat die herinnering stil. Alles gaat door, het wordt weer januari en maart, er komt weer zon en een vaccin. Er zijn weer avonden op het terras en lange avonden met vrienden. Er komt alleen geen nieuw beeld. Geen man van 44 met een stoppelbaard, een neefje of nichtje of een auto. Geen telefoontje of geen herkenbaar loopje. Dat blijft bijna hangen in zwartwit, twintig jaar oud. Soms lijkt het gisteren.

Ik mis je, lief broertje. Ook na twintig jaar. Vanavond proost ik op jou en op het leven. Net als elk jaar.

De zin die veel te kort is.

“Twintig jaar al”, antwoordde ik bijna achteloos op de vraag hoe lang hij al dood was. Ik herstelde me meteen: het waren er ‘pas’ negentien, een Matthijs de Ligt en een beetje minder geleden dus. Wat een tijd, 19 jaar. En soms voelt het als gisteren.

Het rare aan mensen die er ineens niet meer zijn, is voor mij het zetten van de punt terwijl alle zinnen eromheen gewoon doorlopen: met komma’s, bijzinnen, uitroeptekens en vraagtekens. De zin van mijn broertje was een korte, met veel klemtoon, gedachtestreepjes en krachtige woorden. Maar wel kort. Terwijl de zinnen van de rest doorkabbelen en soms een leesteken krijgen, eindigde die van hem. Zomaar ineens. Punt.

Iedereen is ouder. Rimpels, grijze haren, trouwerijen en scheidingen. Eigen huis, diploma’s, sterfgevallen en geboortes. Feestjes waarna je dronken van geluk in bed belandt, pittige dagen waarop je tranen en verdriet wegslikt. Dagen en gebeurtenissen die je met elkaar beleeft, die je aan elkaar vertelt en met elkaar deelt. Een nieuwe bijzin, een nieuw zinsdeel, elke dag opnieuw. Het enige wat je met zijn zin kunt en moet doen, is deze lezen. En lezen. En nog een keer lezen en het liefst zelfs voorlezen, aan mensen die hem goed of een beetje kenden, maar vooral ook aan mensen die hem niet kenden maar waarvan je zelf zo graag had gehad dat ze dat wel hadden gedaan. Of eigenlijk nog, nu nog steeds deden.

Elk jaar, rond zijn sterfdag, probeer ik iets op te schrijven. Iets uit mijn herinnering te halen dat ik misschien zelfs wel bijna vergeten was. Niet voor mezelf, vooral voor juist hen die hem niet hebben gekend. Over zijn streken, zijn gemanipuleer, zijn enorme koppigheid. Maar vooral over zijn charme, zijn vermogen mensen te verbinden, zijn (veel te) grote hart en zijn genereuze zelf.

Maar misschien wel het allermeest voor hem. Zodat hij weet dat ik hem niet vergeet.

Vanavond pak ik – traditiegetrouw – een drankje en proost ik op hem en zijn veel te korte zin. Ik hou van je, man.

Telefoontje naar huis

Wie fan is van een voetbalclub, weet dat sommige dingen niet uit te leggen zijn. Als kleine jongen ging ik samen met mijn vader en mijn 2-jaar jongere broertje mee naar FC Den Bosch, gewoon omdat dat leuk was. We speelden op de oude betonnen tribunes met lege blikjes cola en bier, kregen geld voor een chocoladereep en riepen omhoog naar mijn vader als er gejuicht werd wie er had gescoord. Later, toen ik 14 of 15 was, kochten mijn ouders 3 seizoenkaarten voor PSV en gingen mijn vader, mijn broertje en ik om de week naar Eindhoven. De aanleiding was een vriendschappelijke wedstrijd van PSV tegen AC Milan in het stadion waar de groene mat, de atmosfeer en alles wat ik hoorde en zag me betoverden. Ik was verkocht.

PSV is per definitie geen naam waar je blind voor gaat. Om te beginnen is het geen naam of woord en zijn het de beginletters van drie woorden die samen ook niet tot de verbeelding spreken. Het is geen idyllische god, monumentale volksbuurt of zelfs maar een stadsnaam. Maar toch: een voetbalclub kies je niet uit, die kiest jou en vanaf het eerste moment werd ik gepakt. We gingen jarenlang met zijn drietjes vanuit Den Bosch naar Eindhoven en leenden steeds een auto, omdat we er zelf geen hadden. Later ging ook Joris mee, net zo oud als mijn broertje en inmiddels mijn beste vriend. We gingen naar thuiswedstrijden, later ook naar uitwedstrijden in Nederland (meestal zonder mijn vader) en in 1996 gingen we naar Barcelona. Naar Camp Nou, het stadion van Cruijff, van grote wedstrijden, van Ronald Koeman die de Europacup I won. We verheugden ons op de reis totdat mijn broertje kwam zeggen dat hij niet meeging: geen geld. Dat was een probleem, want wij hadden ook maar genoeg voor één ticket per persoon. Dus uiteindelijk kochten Joris en ik twee tickets en vertrokken we naar Barcelona. Met de bus. Naar Malgrat de Mar, 18 uur, opgevouwen 1 meter 93.

Het was geweldig. We ontmoetten nieuwe vrienden, dronken bier in een kroeg in Calafell, dronken de dag van de wedstrijd nog meer en gingen jolig richting stadion. Met zijn tweeën, want mijn broertje had geen geld. We gniffelden erom en besloten hem te bellen. Vanuit een telefooncel (we praten over 1996, dus er was nog geen mobiele telefoon) belden we hem op, thuis, bij mijn moeder. We schaterden het uit om het leedvermaak, hij thuis op de bank, wij in Barcelona. Wrijven in de vlek doen mannen graag, en wij dus ook, maar we belden stiekem ook omdat we hem er graag bij hadden gehad. Mijn broertje de durfal, de grappenmaker, het zorgenkindje. We hingen op, schaterend van het lachen en gingen het stadion in. Het werd 2-2.

Als je dit leest, loop ik in Milaan. Vanavond speelt PSV in San Siro, het stadion van Internazionale voor de Champions League. PSV speelt nergens meer voor, ze hebben 1 punt, maar ik ben terug in Italië. Joris is erbij: met de auto, door Duitsland en Zwitserland, in Milaan.

Het liefst zou ik vanavond bellen. Naar huis, naar mijn broertje. Om te lachen en te vertellen waar we staan. Zonder hem.

Proost vriend. Op PSV.

Witte banden

Hij zat daar. Nieuwe adidasjes. Hij strekte zijn voeten waardoor zijn tenen nét de grond raakten. Zijn armen recht waardoor zijn schouders horizontaal kwamen. Hij leek wel 13. Hij is nog net 11. Nieuwe fiets, zo een die elke jonge gast nu ongeveer heeft, met zo’n rek ervoor. Blauw, met witte banden. ‘Over die witte banden wil ik nog wel even nadenken hoor pap’, zei hij vorige week. Want afwijkend en daardoor misschien voor schut en alles is al zo nieuw en spannend en zo. Een van zijn long time vriendjes uit Amsterdam gaf de doorslag. ‘Vette fiets man. Mooi ook, die banden.’ Het werden witte banden.

Bijna 12 jaar geleden was hij er. Dag of 8 te laat en puntgaaf. Ik was stiknerveus of alles wel goed zou gaan en of het met hem wel goed zou zijn, erfenisje van zijn zus. ‘Het ziet er geweldig uit. Gefeliciteerd met je zoon. Hoe heet hij?’, stelde de verloskundige me gerust en ik voelde mijn hart een sprongetje maken en mijn lijf en hoofd zich ontspannen. Blauwe ogen, kuiltje in je kin. Nu fiets je weg en steek je zelfs je arm uit, terwijl je rechtsaf slaat.

Vandaag is je laatste schooldag op de lagere school. Daar waar je later instroomde maar direct je plek vond, vrienden maakte, je jezelf leerde kennen en groot werd. Vanavond heb je de musical en speel je precies de rol die je wilde: aanwezig, op het podium maar met niet teveel tekst. Feestje erna, colaatje erbij. Prachtig.

Van alle mensen op de hele wereld lijk jij het meest op mij. We hebben nagenoeg hetzelfde karakter en – op onze kleur ogen en haren na – ook veel fysiek gemeen. Je bent geweldig in je nieuwsgierigheid, blik op de wereld, je oog voor anderen en je mooie hart. Ik hoop dat je nooit verandert. Ik hou van je.

En je fiets is ook chill. Goede keuze.

Vier dagen

Tijd is een ongrijpbaar concept, zeker als je een kind bent. Mijn ouders waren acht jaar getrouwd toen ik zes was en mijn broertje vier. Dat zes en vier samen tien is en mijn ouders pas acht jaar getrouwd waren, kon ik niet bevatten. Mijn broertje was vier dagen later jarig dan ik. In mijn jonge jaren heb ik dat altijd als een onrechtvaardig iets gezien: je warmt jezelf op voor je verjaardag en na die speciale straaldag heb je als kind het recht een paar dagen na te gloeien. De opwarmdagen van mijn broertje begonnen op mijn verjaardag, als zijn neus jarig was en hij ook kleine cadeautjes kreeg. Op de dag dat ik mocht stralen, was hij al volop aan het opwarmen. Mijn gloeidagen waren tot mijn (onuitgesproken) ongenoegen altijd minder fijn dan die van vriendjes die een zus hadden die maanden later jarig was.

Mijn ouders vierden onze verjaardagen vaak op dezelfde dag. “Lekker makkelijk”, was het argument maar ik vond het eigenlijk vooral oneerlijk. Dat het ook qua kosten een groot voordeel bood, had ik toen nog niet door. Ik accepteerde het wel en deed alsof het me eigenlijk niet veel kon schelen, maar het morrelde weer een beetje aan mijn gloeidagen.
Vandaag is het 4 dagen na mijn verjaardag. Typisch wel, dat het vandaag onophoudend regent en het zaterdag een stralend zonnige dag was. Alsof de 24e bedoeld was om te stralen en de 28e nat is om het gloeien te stoppen. Bovendien hoeft er vandaag niemand te stralen want er is niemand meer jarig. Alle opwarmdagen zijn tegenwoordig van mij en de straaldag van niemand anders. Gloeien kan ik al een tijdje ongestoord doen, zonder dat er iemand in mijn omgeving komt opwarmen. Het is oneerlijk.

Vandaag zou hij die maar 24 werd al 42 worden. Dat is al best wel een leeftijd. Ik hoop op een klein beetje zon vandaag.

Geboren vrienden

Het was zo’n roodwitblauwe basketbal, zo een die de Harlem Globetrotters ook hadden. Wel eentje voor buiten, met zo’n ribbelige structuur. We woonden in een drive-inwoning, dus we hadden drie verdiepingen thuis. Hij was iel van postuur en daarom kon hij niet zo hoog gooien als ik. Ik pakte de basketbal met twee handen vast, ging door mijn knieën en wierp de bal zo hoog als ik kon, voor mijn gevoel zeker tot boven de bovenste verdieping. Ik zette me schrap voor twee en zag de bal stilhangen in de lucht en omlaag komen. Hij had zijn ogen dicht en spande zijn schouders aan. Ik zag zijn gezicht in een grimas veranderen toen de bal bovenop zijn hoofd belandde. Ik lachte, ik lachte heel hard. Hij lachte ook, maar anders.

Hij deed altijd dit soort dingen. Ik was een brave kleuter, scholier, tiener. Hij niet, hij zocht altijd de grenzen op. Om het te kunnen voelen, maar ook om op te vallen op een andere manier dan altijd maar door die insulinepen en dat afgepaste dieet. Hij parkeerde ooit, net 14, de Lada van mijn opa tegen de schutting van de overbuurvrouw. Hij stond achterop de bagagedrager van zijn beste vriend terwijl die door de wijk fietste, overdreven zwaaiend naar iedereen, inclusief mijn moeder die dat niet zo leuk vond. Hij spijbelde, rookte, dronk en overtrad regels waar hij kon. Gewoon omdat het kon en omdat hij het wilde meemaken.

We waren in veel dingen echt tegenpolen. Ik voorbeeldkind, goede cijfers, luisterde naar mijn ouders en die ene keer dat ik uit de klas werd gestuurd, was het niet eens mijn schuld. Hij moest onbedaarlijk lachen toen ik het hem vertelde, of eigenlijk toen hij het via-via had gehoord. Ik vertelde het niet aan hem, want ik vond ook vooral dat ik voor hem moest zorgen, ook al hoefde dat helemaal niet. Hij liep altijd op of meestal voorbij het randje. Ik zie hem nog staan, ik denk 11 jaar oud, in een hoek van de kindercarnavalsdisco, volle bak aan het tongzoenen met een meisje. Hij ving mijn blik, grinnikte en ging door met waar hij mee bezig was, zijn grote broer vol verbazing en, ik geef eerlijk toe, gezond jaloers achterlatend.

Maar hij was ook genereus. Zijn hart stond open voor alles en iedereen, niks was hem teveel. Vriend van iedereen omdat hij ‘het wel regelde’ of eigenlijk omdat een van zijn vrienden het regelde maar hij ervoor had gezorgd dat het werd geregeld. Onze woonkamer zat na schooltijd altijd vol met vrienden van hem en vrienden van mij, die elkaar dan ook weer vonden of juist niet. Ondanks dat we heel verschillend waren, leken we ook wel op elkaar. We waren niet elkaars beste vrienden, maar wel elkaars oudste vrienden, elkaars geboren vrienden. We waren tot elkaar veroordeeld doordat we broers zijn maar juist dat maakte dat we gewoon elkaars vrienden waren en bleven. Hij was er voor mij, ik was er voor hem.

Soms wordt ook dit soort vriendschappen gebroken door dat wat alles fysiek breekt, vroeg of laat. Dan heb je ineens een vriend minder. Dan is dat telefoonnummer nutteloos, die verjaardag zonder taart, die stoel voor altijd leeg. Dat went nooit, al wen je er wel aan, ook als het al 17 jaar geleden is dat je elkaar sprak. Het is fucking veel te lang geleden man. Ik mis je.

Over Lego en het geknakte leven

Op tafel staat een grote doos vol Lego. Ik ben niet zo van de getallen maar als ik het zou moeten schatten een kilo of 15. Er zit van alles in: kleine gele blokjes, grote groene wegenplaten, flarden technisch Lego, delen van een ridderkasteel. Het is een vergaarbak vol herinneringen uit mijn jeugd, toen ik nog geen 10 jaar was.

“Neem maar mee naar huis jongen, het is van jou”, zei mijn moeder ruim een jaar geleden toen ik daar eens was. Dat ik er maar mee moest doen wat ik wilde, misschien iets voor de kinderen? Nee dus. Wel leuk maar ze keken er niet naar om, dus stond het op de zolder, netjes in goedverpakte oude dozen uit 1977, luchtdichte huzarensaladebakken uit 1981 en meestal voorzien van instructieboekjes, waar in krullerige letters Boudewijn of Bastiaan opstond.

Het pleintje om de hoek.

'Niet kijken!'
‘Niet kijken!’
Het pleintje om de hoek van waar we slapen, is een soort ’tussenpleintje’. Niets bekends, niet heel groot, wel een soort overdekte markt. Het blijkt de Loggia del pesce te zijn, ooit ontworpen door de grote Giorgio Vasari, vriend en biograaf van Michelangelo maar natuurlijk groot kunstenaar. Het is hierheen verplaatst, want toen Italië vlak na de eenwording in 1861 kort hoofdstad werd, was er geen plek meer op de Piazza della Repubblica. Op hetzelfde pleintje vind je trouwens ook het woonhuis van Lorenzo Ghiberti, die de beroemde Paradijsdeur van het Baptisterium ontwierp. Google maar even.

Toeristen komen er nauwelijks op dit pleintje, want het ligt niet midden in het centrum maar nét iets daarbuiten. Het is kenmerkend voor de grootsheid van de stad: dergelijke monumenten en verhalen vind je overal daar. Het is zó schitterend, zo puur, het is zoals het hoort: verleden en heden bij elkaar. Dit is waarom ik zou van de stad hou. Dit is waarom ik er zo graag kom.
Ik ga eind mei, ik organiseer een taal- en cultuurreis naar mijn lievelingsstad. Vanwege dit soort dingen. Maar ook vanwege het eten. Het weer. De taal, de mensen, de geluiden.

We zitten vol, met 11 mensen gaan we dit beleven. Man wat heb ik er zin in. Ik zal foto’s maken, dan weet je een beetje wat ik bedoel. Oh ja: het is Florence. Stad van Dante. Van Ghiberti. Brunelleschi. Machiavelli. Petrarca. Boccaccio. Michelangelo, maar ook een beetje van Giambologna, Savonarola, of Batistuta, of van Matteo Renzi, de premier van het land. Van de renaissance, van de openheid, vrijheid. Het voelt altijd een beetje al thuiskomen daar.

De frikadelpeuter

Een van de mooiste dingen aan voetbal en het aandoen van een stadion is de diversiteit aan mensen. Wordt hockey nog steeds gezien als een elitesport, bij het voetbal zie je alle geledingen van de maatschappij. Blank, zwart, rijk, arm, dik, dun: het zit in het stadion. Ik heb genoeg stadions en clubs bezocht om te weten dat het overal zo is. Mooi vind ik dat.

Bij mijn tweewekelijkse bezoek aan het gezelligheidstheater dat De Vliert heet, kom je ook van alles tegen. De lokale dikzak die anderhalve stoel inneemt (nooit een probleem, plaats genoeg), de vrijkaartjes voor het speciaal onderwijs, de man van stand met stropdas en kleinzoon in Ralph Lauren: het is er allemaal. Bij FC Den Bosch, op mijn tribune, zit met ruime voorsprong mijn lievelingssupporter: de frikadelpeuter. Ze komt al jaren (noodgedwongen) en zij is een beetje de jongen tegenover je in de trein met de wijnvlek in zijn gezicht: je wil het niet, maar je moet er naar kijken.

Ze moet een jaar of anderhalf zijn geweest toen ik haar voor het eerst zag. Dochter van een Suppoostenpaar kwam ze aan de hand van Mama het vak ingelopen. Klein olijk brilletje, verwonderde blik en duidelijk onder de indruk van de mensen, het geluid en de imposante kijk op het groene veld. Het zal een zondagmiddag zijn geweest. Ik moest glimlachen.

De weken erna kwam ze terug. Elke keer, maar het probleem was dat de FC niet alleen op zondagmiddag speelde. Eerste Divisie-voetbal betekent namelijk negentig minuten ballen op vrijdagavond, wat voor het Suppoostenpaar klaarblijkelijk geen enkel probleem vormde. Dochterlief kon makkelijk mee. Nou, ze kon mee, maar makkelijk? De eerste helft was nog wel vol te houden, maar daarna werd het lastig. Kinderen van die leeftijd gaan dan nogal eens moe worden, zo ook de peuter. Zakje chips was in het begin een goede zoethouder, maar dat is in een kwartiertje wel op. Mama Suppoost wist daar wel iets op: een frikadel. Zo gezegd zo gedaan: de peuter werd een frikadelpeuter. Bleek perfect te werken: een drietal frikadellen per helft is een geweldige manier om iemand rustig te houden. Wanneer je moe wordt, kun je het ook uitstekend als surrogaatduim gebruiken en ermee, half liggend op de schoot van de op dat moment pauze houdende Mama Suppoost, in slaap vallen. Papa Suppoost kwam zo af en toe de tribune opgelopen, stak zijn duim op want hij zag dat het goed was. Opgelost.

Het Suppoostenpaar is er nog elke week. Dat frikadellen een ideale manier is om groot te worden, bewijst de frikadellenpeuter die inmiddels wel een frikadellenkleuter is geworden. Wat wederom de stelling ontkracht dat teveel frituurvoedsel slecht voor je zou zijn.

Volgende week speelt FC Den Bosch weer. Heeft er iemand een peuter van onder de twee te leen? Ik zou namelijk dolgraag eens proberen of het bovenstaande ook werkt bij kroketten, mexicanos, lihanboutjes en sito-sticks.